| 
  • If you are citizen of an European Union member nation, you may not use this service unless you are at least 16 years old.

  • Finally, you can manage your Google Docs, uploads, and email attachments (plus Dropbox and Slack files) in one convenient place. Claim a free account, and in less than 2 minutes, Dokkio (from the makers of PBworks) can automatically organize your content for you.

View
 

Chronische nierinsufficiëntie en depressie

Page history last edited by Paula M.C. Mommersteeg 7 years, 9 months ago

 

Klik hier om terug te keren naar de hoofdpagina Psychofarmacologie

Foto 1: door Hey Paul Studios, te gebruiken onder Creative Commons licensie

 


 

Inleiding

Chronische nierinsufficiëntie (CNI) is een veelvoorkomende aandoening waarbij de nieren onvoldoende functioneren zonder zicht op verbetering. De meest gestelde psychiatrische diagnose bij deze patiëntengroep is een depressieve stoornis, wat onder andere zorgt voor een afname in kwaliteit van leven en verslechtering van de prognose van CNI.

 

Op deze pagina wordt een overzicht gegeven van CNI; er wordt besproken wat het inhoudt en welke behandelingsopties er zijn. Hierna wordt een psychische stoornis besproken worden die vaak voorkomt bij patiënten met CNI, namelijk depressie. Ook worden de mogelijke biologische mechanismen uitgelegd die de link tussen CNI en depressie kunnen verklaren. Als laatste punt willen wij extra aandacht schenken aan terminaal nierfalen in combinatie met depressie. Hier is in vergelijking met de andere stadia het meeste onderzoek naar gedaan, mede vanwege de zware ziektelast en complexe behandeling. Door de ingewikkelde wisselwerking van de behandelingen van terminaal nierfalen en depressie, hebben wij gekozen om dit aan het einde te bespreken, nadat de lezer goed geïnformeerd is over de biologische mechanismen die eraan ten grondslag zouden kunnen liggen. Afsluitend worden op basis van deze informatie suggesties voor vervolgonderzoek en aanbevelingen voor de klinische praktijk geboden.

Er wordt regelmatig verwezen (door middel van een hyperlink en bronvermeldingen) naar extra uitleg of een meer diepgaande bron. Zo kan iedereen deze WIKI naar eigen wens en niveau gebruiken.


Deze pagina is voornamelijk bedoeld als naslagwerk voor mensen die in hun werk met deze patiëntgroep te maken kunnen krijgen. Op basis van deze pagina kunnen geen definitieve conclusies getrokken worden, omdat de beschreven informatie niet allesomvattend is en altijd rekening gehouden moet worden met individuele verschillen.

 


 

Inhoudsopgave

1. Chronische Nierinsufficiëntie

     1.1. Algemeen

            i. Ziektebeeld

           ii. Symptomen

          iii. Diagnose

          iv. Epidemiologie          

     1.2. Behandeling

            i. Ziekteprogressie

           ii. Onderliggende oorzaken en contribuerende factoren

          iii. Complicaties van CNI

           iv. Het vervangen van verloren nierfunctie

2. Depressie bij patiënten met CNI

     2.1. Algemeen

            i. Depressieve stoornis

           ii. Prevalentie

          iii. Prognose

     2.2. Behandeling

            i. Algemene complicaties

           ii. Specifieke antidepressiva 

      2.3. Biologische mechanismen: de link tussen CNI en depressie

            i. Hypertensie

           ii. Systemische inflammatie

          iii. Oxidatieve stress

           iv. Serotonine

3. Depressie en terminaal nierfalen 

     3.1. Dialyse 

            i. Prevalentie van depressie bij dialysepatiënten

           ii. Specifieke problemen bij depressieve dialysepatiënten

     3.2. Niertransplantatie 

            i. Prevalentie van depressie bij niertransplantatiepatiënten

           ii. Specifieke problemen bij depressieve niertransplantatiepatiënten

          iii. Non-medicamenteuze behandeling van depressie bij niertransplantatiepatiënten

4. Conclusie

            i. Aanbevelingen

5. Literatuur

 


 

1. Chronische Nierinsufficiëntie

 

1.1. Algemeen

i. Ziektebeeld

Chronische nierinsufficiëntie (CNI) of chronisch nierfalen (ICD-10 N18) verwijst naar permanente schade aan de nieren met als resultaat verlies van de normale nierfunctie. De nieren hebben belangrijke functies in het lichaam: zij zijn onder andere cruciaal bij het uitscheiden van afvalstoffen uit het bloed via urine. Wanneer dit goed gebeurt, is er een juiste balans van vocht en zout in het lichaam. Ook zijn de nieren betrokken bij de productie van enkele hormonen, zoals erytropoëtine en renine

 

Wanneer nierfilters beschadigd raken en geen bloed meer kunnen filteren, hebben de nieren aanvankelijk genoeg reservecapaciteit om dit op te vangen. Dit proces kan echter niet eindeloos doorgaan. Uiteindelijk is de schade zo groot dat de nieren hun functie verliezen.

 

Nierinsufficiëntie kan, naast in chronische, ook in acute (ICD-10 N17) of ongespecificeerde (ICD-10 N19) vorm voorkomen. 

 

Voor meer informatie over normale en verstoorde nierfunctie kunt u hier terecht. 

 

ii. Symptomen

De nieren hebben een grote reservecapaciteit, waardoor CNI in het begin vaak onopgemerkt blijft. Naarmate de nierfunctie slechter wordt, neemt de kans op symptomen toe. De meest voorkomende klachten zijn vermoeidheid, slechte eetlust, gewichtsverlies, slecht slapen en hoofdpijn1Ook jeuk, misselijkheid, braken, trillende spieren en oedeem (overmatige ophoping van vocht in het weefsel tussen de cellen van het lichaam in, met zwelling als gevolg) kunnen zich voordoen als gevolg van CNI.1

 

iii. Diagnose

Bij diagnosticering van CNI wordt gekeken naar nierschade en nierfunctie. Er is sprake van nierschade wanneer pathologische afwijkingen zichtbaar zijn in beeldvormend onderzoek, of functionele afwijkingen gemeten zijn in bloed- of urinetests. In sommige gevallen is er al sprake van nierschade zonder een ernstig verstoorde nierfunctie. Nierfunctie wordt uitgedrukt in glomerulaire filtratiesnelheid (GFR). Door middel van het berekenen van GFR kan een schatting gemaakt worden van de hoeveelheid bloed die wordt gefilterd door de nieren binnen een bepaalde tijd.

 

Tabel 1: Stadia van nierfunctie volgens K/DOQI-CRITERIA1

Stadium Beschrijving GFR (ml/min/1,73m2)
1 Nierschade met een normale GFR Gelijk of meer dan 90
2 Nierschade met een licht verminderde GFR 60 – 90
3 Matig verminderde GFR 3 30 – 60
4 Ernstig verminderde GFR 15 – 30
5 Terminaal Nierfalen Minder dan 15

 

Voor de diagnose CNI moet nierschade of een GFR minder dan 60 (ml/min/1,73 m2) worden aangetoond. Ook is vereist dat deze schade of GFR minstens 3 maanden bestaat. Er wordt gesproken van terminaal nierfalen (ook wel End Stage Renal Disease of ESDR genoemd) wanneer de nieren zodanig beschadigd zijn, dat nierfunctievervangende therapie noodzakelijk is.

 

iv. Epidemiologie

Volgens schattingen van de Nierstichting komt CNI bij 5-10% van de bevolking voor. Het totaal aantal patiënten dat lijdt aan nierinsufficiëntie werd in 2007 geschat op 40.000. Er wordt gedacht dat de stijging in prevalentie (het aantal mensen dat op een bepaald moment aan de aandoening lijdt) van CNI samenhangt met vergrijzing van de bevolking en met de stijging in prevalentie van de bekende risicofactoren diabetes mellitus en hypertensie2. Per jaar overlijden ongeveer 1400 mensen in Nederland aan nieraandoeningen, waarvan 80-85% bestaat uit chronische of ongespecificeerde nierinsufficiëntie3.

 

CNI kan veroorzaakt worden door veel verschillende ziekten.

Enkele bekende risicofactoren voor het ontwikkelen van CNI zijn:

 

Wanneer de diagnose gesteld wordt, is er al sprake van onomkeerbare schade. Onbehandeld leidt chronische nierinsufficiëntie tot het overlijden van de patiënt. Patiënten met chronische nierinsufficiëntie hebben een verhoogd risico om terminaal nierfalen te ontwikkelen. In deze fase is nierfunctie vervangende therapie zoals dialyse of niertransplantatie noodzakelijk. Daarnaast hebben patiënten met chronische nierinsufficiëntie ook een verhoogd risico op complicaties als seksuele disfuncties13, renale osteodystrofie (botafwijkingen als gevolg van CNI)14, hart- en vaatziekten15 en bloedarmoede16.

 

1.2. Behandeling

Chronische nierinsufficiëntie kan tot op heden niet worden genezen. De 4 doelen van therapie zijn:

 

i.   De progressie van de ziekte te vertragen
ii.  Behandelen van onderliggende oorzaken en contribuerende factoren
iii. Behandeling van de complicaties van nierfalen
iv. Het vervangen van de verloren nierfunctie

 

Figuur 1: Model voor chronische nierinsufficiëntie geïnspireerd op Levey & Coresh9 . Hierin wordt het verloop van CNI omschreven met bijpassende behandelmogelijkheden. Complicaties kunnen het gevolg zijn van CNI, maar ook van de behandeling van CNI. De gestippelde lijnen geven minder frequente verbanden aan. 

 

i. Ziekteprogressie 

Dieet 

Controle over het dieet is essentieel om de progressie van CNI te vertragen. Er zijn algemene voorschriften aangaande het dieet. Zo dienen proteïnen (bv. dierlijke eiwitten: zuivelproducten, eieren, vlees en vis), natrium (bv. in kant-en-klaar maaltijden, soepen, sauzen, hartige snacks en bewerkte producten), vocht, kalium (bv. in bananen, sinaasappels, noten en aardappels) en fosfor (bv in eieren, bonen en zuivelproducten) meestal beperkt te worden17 . Dit dient echter te worden besproken met de behandelend arts en eventueel met een diëtist.

 

Regelen van de bloeddruk

Hypertensie is op lange termijn schadelijk, omdat het arteriosclerose bevordert. Hypertensie zal daarom behandeld moeten worden, ook wanneer de patiënt er geen klachten van ervaart. Het wordt aangeraden de bloeddruk onder 130/80 mmHg te houden wanneer men lijdt aan nierinsufficiëntie18.

 

ii. Onderliggende oorzaken en contribuerende factoren

Zoals hierboven beschreven, is CNI vaak het gevolg van een aantasting van de nieren door bepaalde ziekten zoals diabetes mellitus, aanhoudende hypertensie, metabool syndroom, overmatig gebruik van bepaalde geneesmiddelen of alcohol en/of een erfelijke nieraandoening. Het spreekt dan ook voor zich dat het voor deze patiënten extra belangrijk is de bloeddruk goed te controleren, overtollig gewicht te verliezen, te stoppen met roken, de bloedglucose te controleren en de inname van medicijnen die de nier schade toe brengen, te vermijden19.

 

iii. Complicaties van CNI

De complicaties van nierinsufficiëntie kunnen tot op zekere hoogte worden behandeld, zodat de patiënt zich beter voelt. Bij veel complicaties is medicamenteuze therapie nodig, die hieronder kort toegelicht zal worden.

 

Hypertensie
Hypertensie kan, naast dat het de progressie van nierinsufficiëntie bevordert, ook een complicatie van CNI zijn. Er kunnen verschillende medicamenten worden voorgeschreven om de bloeddruk te verlagen en de nierfunctie te behouden. Er zijn grofweg 4 groepen bloeddrukverlagers: de RAAS-remmers (met daaronder de angiotensine converting enzyme inhibitors (ACE-remmers) en angiotensine 2 receptor antagonisten), calciumblokkerende middelen, diuretica en bètablokkers20, zie Tabel 2.

 

Tabel 2. Medicatie hypertensie

Medicament

Werking

Mogelijke bijwerkingen

ACE-remmer

Remt de productie van angiotensine 2 en aldosteron. Verlaagt de bloeddruk, de druk in de glomerulus en aanmaak van littekenweefsel in de nieren.21

Hypotensie
Kriebelhoest
Hyperkaliëmie
Hoofdpijn
Kortademigheid
Vermoeidheid
Maag-darmklachten
Verdere achteruitgang in nierfunctie21

Angiotensine 2 receptor antagonist

Inhibeert de actie van angiotensine 2 op receptoren, verlaagt druk in bloedvaten, heeft een  beschermend effect op de nieren en vertraagt de progressie van nierfalen.22

Hypotensie
Duizeligheid
Hoofdpijn
Hyperkaliëmie
Slapeloosheid
Anemie
Verdere achteruitgang in nierfunctie22

Calciumblokkers

Blokkeren calcium waardoor de bloedvaten ontspannen en wijder worden. Dit verlaagt de bloeddruk, verbetert de zuurstoftoevoer naar het hart en beïnvloedt de hartslag23.

Constipatie
Hoofdpijn
Duizeligheid
Maag-darmklachten
Opgezwollen enkels en onderbenen
Droge mond en tandvleesproblemen
23

Diuretica

Laat totaal bloedvolume afnemen door omzetting van vocht in urine24.

Hypokaliëmie
Dehydratatie
Duizeligheid
Natriumtekort
Maag-darmklachten
Anemie
Stijging hoeveelheid urinezuur24

Bètablokkers

Zorgen voor afname in chronische sympathische overstimulatie en afname in  vaatverwijding. Worden meestal voorgeschreven in combinatie met diuretica25.

Duizeligheid
Kortademigheid
Hoofdpijn
Maag-darmklachten
Zweten
Koude handen en voeten Vermoeidheid25

 

Anemie

Anemie, ofwel bloedarmoede, komt veelvuldig voor bij CNI. De 2 grootste oorzaken van anemie zijn ijzertekort en het ontbreken van erythropoietine (EPO). In combinatie met CNI is het ontbreken van EPO de grootste oorzaak van anemie26. Medicatie tegen anemie is te vinden in Tabel 3.

 

Tabel 3. Medicatie anemie

Medicament

Werking

Mogelijke bijwerkingen

Erythropoiesis-stimulating agents (ESAs)

Stimuleren beenmerg zodat dit meer rode bloedcellen produceert en de behoefte aan bloedtransfusie wordt verminderd27.

Verhoogd risico op:
Beroerte
Hartinfarct
Bloedpropjes
Ijzersupplementen in combinatie met ESAs verminderen deze bijwerkingen27.

 

Renale osteodystrofie

Renale osteodystrofie is de verzamelnaam voor de metabole botafwijkingen die worden gezien bij CNI. De behandeling van renale osteodystrofie is gericht op de balans tussen calcium, fosfor en parathyroïdhormoon (PTH)28. Zie Tabel 4 voor medicatie tegen renale osteodystrofie.

 

Tabel 4. Medicatie Renale osteodystrofie

Medicament

Werking

Mogelijke bijwerkingen

Vitamine D

Vitamine D is vaak de eerste stap om er zeker van te zijn dat er adequate reserves vitamine D in het lichaam zijn. Vitamine D zorgt namelijk voor opname van calcium en fosfaat in de darm27. 

Vermoeidheid
Verlies van eetlust
Misselijkheid Constipatie
Zwelling

Hypertensie
Duizeligheid27

Calciumsupplementen

Om de inadequate hoeveelheid calcium te compenseren die vaak wordt gezien bij renale osteodystrofie. Ernstige nierinsuffiëntie is echter een contra-indicatie vanwege hypertensie29.

Hypercalciëmie Hyperaciditeit Oprispingen
Constipatie
Flatulentie
Alkalose29

Fosfaatbinders

Elimineren het fosfor voordat het opgenomen wordt in de bloedstroom. Er bestaan 2 klassen: op calcium gebaseerde en niet op calcium gebaseerde binders. De eerste kunnen hypercalciëmie veroorzaken30.

Constipatie

Misselijkheid
Overgeven Darmobstructie30

PTH injecties

Een dagelijkse injectie PTH doet het aantal en activiteit van botbouwende cellen toenemen, zodat verloren gegaan bot wordt hersteld en nieuw bot gevormd wordt28.

Pijn in extremiteiten
Misselijkheid
Hoofdpijn
Duizeligheid
Depressieve stemming28

 

iv. Het vervangen van de verloren nierfunctie

Bekende indicaties voor nierfunctie vervangende therapie zijn: hyperkaliëmie, acuut longoedeem, pericarditis, bloedingneigingen en metabole acidose31.

Er bestaan 2 soorten dialyse: hemodialyse en peritoneale dialyse. Beide soorten dialyse hebben voor- en nadelen, de keuze is meestal aan de patiënten zelf tenzij er medische argumenten zijn. De allerlaatste optie is een niertransplantatie31. Deze therapieën worden later nader besproken.

 


 

2. Depressie bij patiënten met CNI

 

2.1. Algemeen

 

i. Depressieve stoornis

De meest gestelde psychiatrische diagnose bij patiënten met CNI is een depressieve stoornis32,33. Een depressieve stoornis is een stemmingsstoornis. Deze stoornis wordt met name gekenmerkt door neerslachtigheid en een vermindering van interesse of plezier in bijna alle activiteiten. De criteria waaraan voldaan moet worden om daadwerkelijk aan een depressieve stoornis te lijden, zijn beschreven in zowel de DSM-IV als in de ICD-10


De symptomen van CNI en de pathofysiologische, sociale en psychologische gevolgen van deze chronische, verzwakkende ziekte kunnen de depressieve stoornis veroorzaken of verergeren34.

 

ii. Prevalentie

Onderzoek heeft aangetoond dat depressie een veelvoorkomende psychologische comorbiditeit is bij patiënten met CNI. De prevalentie die gevonden wordt in de diverse onderzoeken varieert en is met name afhankelijk van de diagnostische methode die gebruikt wordt om depressie vast te stellen35. Een meta-analyse van Palmer et al. (2013) toont aan dat depressie bij ongeveer een kwart van de patiënten met CNI aangetoond wordt wanneer er gebruik wordt gemaakt van een klinisch interview. Bij gebruik van zelf-rapportage methoden is het percentage dat gevonden wordt nog hoger en deze diagnostische methode geeft waarschijnlijk een overschatting van de daadwerkelijke prevalentie36.

Het grootste gedeelte van de studies die de prevalentie van depressie onderzoeken bij patiënten met CNI, richt zich op het stadium terminaal nierfalen. Er is minder bekend over de prevalentie van depressie in de andere stadia van de ziekte. De studie van Abdel-Kader, Unruh en Weisbord (2009) heeft aangetoond dat patiënten met CNI die nog niet afhankelijk zijn van nierfunctievervangende therapie een vergelijkbare mate van depressie ervaren als patiënten met terminaal nierfalen
37

Het is belangrijk om patiënten met CNI te screenen op depressie vanwege de hoge prevalentie van depressie in deze patiëntengroep en de associatie tussen depressie en slechtere uitkomsten voor deze patiënten die in diverse studies gevondenzijn38,39. In het onderstaande gedeelte vindt u meer informatie over de associatie tussen depressie bij patiënten met CNI en de slechtere uitkomsten die hiermee gepaard kunnen gaan.


iii. Prognose

Een depressieve stoornis kan de prognose van een patiënt met CNI verslechteren; de morbiditeit en mortaliteit nemen namelijk beide toe38. Depressie is ook geassocieerd met een verminderde gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven bij CNI patiënten40.

Depressie kan de medische uitkomsten van patiënten met CNI negatief beïnvloeden door middel van diverse mechanismen (figuur 2)41. Psychologische stressoren kunnen de mate van therapietrouw (compliance) van patiënten met CNI negatief beïnvloeden42. Depressie wordt ook geassocieerd met veranderingen in de immuunfunctie, met name verhoogde cytokine niveaus en verminderde cellulaire immuniteit . Verder gaat depressie vaak samen met een slecht voedingspatroon en dit kan het ziekteproces ook negatief beïnvloeden43

 

Figuur 2: Diverse mechanismen gerelateerd aan depressie die de medische uitkomsten van patiënten met CNI negatief kunnen beïnvloeden. Geïnspireerd op een figuur uit het artikel van Cohen et al. (2007)41.

 

2.2. Behandeling

Uit bovenstaande informatie wordt duidelijk dat een goede behandeling van depressie bij patiënten met CNI van groot belang is. Gelukkig bestaan er verschillende behandelingsmogelijkheden voor depressie. Hier zal verder ingegaan worden op medicamenteuze behandeling van depressie. Medicamenteuze behandeling van depressie kan bij gezonde mensen leiden tot verschillende bijwerkingen en complicaties, meer informatie hierover kan hier gevonden worden. Bij mensen met CNI is dit minstens zo zeer het geval. Er zijn een aantal zaken die in acht genomen moeten worden bij het voorschrijven van medicatie in het algemeen aan CNI-patiënten. Daarnaast bestaan er complicaties die optreden bij het gebruik van klassen antidepressiva of specifieke antidepressiva.

 

i. Algemene complicaties

Zoals al eerder genoemd, zijn de nieren onder andere cruciaal bij het uitscheiden van afvalstoffen uit het bloed. Dit gebeurt via de urine. Het merendeel van de geneesmiddelen, en dus ook antidepressiva, wordt via de nieren afgevoerd (renale excretie)44. Daarom is het in bepaalde gevallen van CNI nodig de dosering van een geneesmiddel te verlagen en is het aan te raden de bloedspiegel van een geneesmiddel of zijn metabolieten nauwlettend te bewaken45.

 
Ook is het mogelijk dat de farmacokinetiek van een geneesmiddel bij personen met CNI anders is dan bij gezonde mensen. Onder farmacokinetiek verstaan we de processen die een stof, in dit geval een geneesmiddel, doorloopt in het lichaam. Voorbeelden van zulke processen zijn de opname in de bloedbaan, distributie door het lichaam, en uitscheiding van een stof. De farmacokinetiek van een geneesmiddel bepaalt grotendeels hoe sterk het effect van een geneesmiddel is en hoe lang het geneesmiddel werkzaam blijft. Bij dialyse is het bijvoorbeeld zeker niet vanzelfsprekend dat de werkzaamheid van het geneesmiddel hetzelfde is als bij een gezond persoon45,46. Mogelijk wordt het geneesmiddel in zijn geheel uit het bloed gefilterd door het dialyseapparaat zodat alle werkzame stof uit het bloed verwijderd wordt, of wordt het geneesmiddel onvoldoende uit het bloed verwijderd door het dialyseapparaat. Er bestaat dus zowel een reëel risico op overdosering als op onderdosering.

 
Daarnaast zijn de meeste CNI-patiënten op leeftijd. Dit brengt specifieke problemen met zich mee, zoals comorbiditeit, polyfarmacie en beperkt fysiek functioneren47. Ook kan de aard van de bijwerkingen bij oudere mensen afwijkend zijn. Zo is gebleken dat het gebruik van antidepressiva geassocieerd is met een toename in het aantal val-gerelateerde ongelukken in verpleeghuizen48. Mogelijk leidt het licht sedatieve karakter van sommige antidepressiva bij ouderen tot valpartijen. 

 

ii. Specifieke antidepressiva

Naast de bovengenoemde problemen die bij vrijwel alle geneesmiddelen een rol spelen, bestaan er ook complicaties die optreden bij specifieke antidepressiva wanneer ze gebruikt worden door CNI-patiënten. Hiernaar is meer onderzoek nodig: het meeste onderzoek tot nu toe bestaat uit case studies. Er is dus veel behoefte aan goed opgezet wetenschappelijk onderzoek op dit gebied49. Hier zal besproken worden wat er tot nu toe bekend is over antidepressiva gebruik bij mensen met CNI.

Bij gezonde mensen genieten tricyclische antidepressiva (TCA’s) of serotonine-selectieve heropnameremmers (SSRI’s) de voorkeur bij de behandeling van depressie50.  Het gebruik van TCA’s is echter niet aan te bevelen bij mensen met CNI. Hartritmestoornissen en tachycardie zijn bekende bijwerkingen van TCA’s51. Omdat CNI-patiënten al een verhoogd risico hebben op cardiovasculaire complicaties52, is het erg riskant om bij deze patiëntgroep TCA’s voor te schrijven. Bovendien is bekend dat TCA’s langzamer worden afgebroken bij CNI-patiënten53.

De modernere antidepressiva zoals SSRI’s en SNRI’s zijn onvoldoende onderzocht bij patiënten met CNI. Er bestaan aanwijzingen dat de meeste moderne antidepressiva, wat betreft efficiëntie en bijwerkingen, bij mensen met CNI vergelijkbaar zijn met gezonde personen. Het onderzoek hiernaar bestaat echter grotendeels uit case studies of exploratieve onderzoeken met een beperkt aantal proefpersonen. Er bestaat een enorme behoefte aan goed opgezette onderzoeken zoals RCT’s. Van een aantal antidepressiva is bekend dat de dosering aangepast dient te worden in verband met de andere farmacokinetiek bij mensen met CNI47,49. Het is aan te raden om bij CNI-patiënten altijd te beginnen met een lage dosering antidepressiva om overdosering te voorkomen. Indien nodig kan de dosering langzaam opgebouwd worden54.

 

Lithium is een stemmingsstabilisator die vaak wordt voorgeschreven bij een bipolaire stoornis. Lithium kan verscheidene vervelende bijwerkingen hebben, vooral wanneer de bloedspiegel te hoog is. Bij gezonde mensen kunnen de plasmaniveaus sterk fluctueren: dit is bij CNI-patiënten ook zeker het geval. Bovendien kan lithium nierfalen veroorzaken en is een goede nierfunctie vereist51. Het gebruik van lithium door CNI-patiënten wordt gecontra-indiceerd, en gebeurt nooit zonder overleg met een specialist54.

 

Samenvattend kan gesteld worden dat CNI en depressie vaak samen voorkomen. Ook is duidelijk dat een goede behandeling van depressie erg van belang is voor de gezondheid van de patiënt. In de volgende paragraaf zullen biologische mechanismen worden besproken die mogelijk ten grondslag liggen aan deze comorbiditeit. 

 

Klik hier om door te gaan naar pagina 2

 

Comments (0)

You don't have permission to comment on this page.